Trapgenoten.

Het verhaal Trapgenoten heb ik geschreven in het kader van een verhalenwedsrijd met als thema ‘Vriendendienst’.
Leestijd ca 3 minuten.

‘Kunt u vandaag op Bonnie passen?’
De benedenbuurman stond op de overloop met in zijn linkerhand de riem waaraan een bruine magere hond vastzat en in zijn andere hand een zak hondenbrokjes. Onder zijn rechterarm klemde hij een vaalblauw hondenkussen en een rode plastic voerbak.
‘Astublieft?’
Hij duwde de riem in de hand van Els, zette het hondenvoer, het kussen en de voerbak in het halletje van haar woning, aaide Bonnie over haar kop en liep de smalle trap af. Onderaan draaide hij zich om.
‘Ze hoeft alleen nog vanmiddag en vanavond uit. Om zes uur krijgt ze een bak vol brokjes. Oh ja… er moet altijd vers water staan. Ik ben tegen elven weer terug.’
De benedendeur sloeg dicht en de hond probeerde achter haar baas aan te gaan. Ze was onverwacht sterk voor zo’n mager beest. Els kon haar nog net tegen houden door zich vast te grijpen aan de houten trapleuning.
’Rustig maar, baasje komt je vanavond weer halen.’ 
Ze trok aan de riem om de hond haar woning in te krijgen. Bonnie zette echter haar nagels in de houten trap en keek strak naar beneden. Ze piepte en kermde, af en toe onderbroken door een enorme geeuw. 
‘Bonnie, kom dan…. kom dan. Wil je brokjes?’ 
Met haar vrije hand slaagde Els erin, half zittend en half liggend op de overloop, een paar brokjes uit de zak hondenvoer te pakken. 
Bonnie was niet geïnteresseerd.  
Op de verdieping boven haar sloeg ook een deur dicht. Een slungelige man kwam naar beneden met in zijn hand een gele Jumbotas. Hij probeerde over het tweetal heen te stappen, maar bedacht zich. Ondertussen probeerde Els Bonnie naar zich toe te halen. 
Haar blik ontmoette die van de man.
‘Hij komt haar vanavond weer ophalen, zei-die.’
‘Nou lekker klusje … kan dat wel met uw kat?’ 
‘Tijgertje is al twee maanden dood.’
‘Oh… dat spijt me.’ 
De bovenbuurman keek Els onderzoekend aan. ‘U zult de gezelligheid wel missen.’  
Hoe wist de buurman dat zij een kat had en wat wist hij verder van haar leven? Ze deelden al ruim een jaar het trappenhuis maar waren nog nooit bij elkaar binnen geweest. Het contact beperkte zich tot een mompelende groet bij een ontmoeting op de trap. Door de week had hij altijd een zwart koffertje bij zich dat hij dicht tegen zijn borst klemde als ze elkaar passeerden. Zijn naamplaatje bij de deur vermeldde: S. Buitenhuis. Last had Els gelukkig ook niet van hem. In het weekend speelde hij in de namiddag op een piano jazzy muziek en – goddank  – altijd hele nummers. 
Els ging rechtop staan en drukte zich tegen de muur om ruimte te bieden, maar Bonnie werkte niet mee. 
De bovenbuurman zette zijn boodschappentas neer en pakte de hond bij de halsband. Els hield nog steeds de riem vast. 
‘En nou ga je luisteren.’ Hij trok Bonnie de hal van Els woning in. Zich half omdraaiend zei hij: ’Je moet ferm optreden bij honden, anders zijn ze jou de baas.’ 
Bonnie vasthoudend bij de halsband, bleef hij in het halletje staan. Ook Els ging naar binnen, achter zich de voordeur sluitend om de hond niet te laten ontsnappen. Met z’n drieën was het halletje propvol. De bovenbuurman liet de halsband los en de hond wurmde zich om hen heen, richting de deur, waardoor de riem om hun benen sloot. Els raakte uit evenwicht en viel in de armen van haar helper. Zijn handen sloten zich om haar armen met een sterke grip. 
Hij bleek twee koppen groter dan zij en haar gezicht drukte tegen zijn borst. Een zachte geur van wasmiddel prikkelde haar neusgaten. Ze lachte. Het was lang geleden dat ze zo dicht bij een man was geweest.
‘Misschien kunt u de riem nu loslaten?’ 
‘Oh ja.’
Els reikte langs de buurman naar de deur naar haar huiskamer. De binnenkant van haar arm raakte zijn zij. Deze aanraking veroorzaakte een lichte schok in haar arm. 
De buurman stapte achteruit de kamer in. Bonnie bleef in het halletje krabbend aan de voordeur.
In het zonlicht dat in de kamer scheen, getemperd door de witte vitrage die zacht wapperde voor de open deuren, zag Els dat zijn haar donkerbruin was met grijze stroken.
‘Leuke kamer.’ 
Ook Els was blij met haar woning; groot genoeg voor haar alleen en met een ruim balkon op de zonzijde.
‘Wilt u misschien een kopje koffie of thee?’ 
De buurman keek verrast. ‘Een kopje koffie graag. Niks erin.’
Terwijl Els in de keuken de koffie maakte hoorde ze hoe de buurman probeerde Bonnie naar binnen te lokken.. 
‘Kom maar meisje… rustig maar …vanavond is-ie weer terug.’
Els zette de koffiekopjes op haar eettafel. Van een bijzettafeltje pakte ze een schoteltje met brokjes pure chocola. Ze gingen ieder aan een kant van de tafel zitten. Bonnie nog steeds in het halletje, af en toe kermend. 
De buurman keek Els aan. Zijn ogen waren zachtgrijs.
‘Ik heet trouwens Bas.’


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.