Het avontuur

boek rafels

Het verhaal “Het avontuur“ heb ik geschreven voor een schrijfwedstrijd die georganiseerd was door Godijn Publishing in Hoorn. De opdracht was om een verhaal te schrijven met een rafel erin.
Mijn verhaal is gepubliceerd in de bundel Rafels (2019). Leestijd ca 10 minuten.


Het avontuur

De vrouw tegenover Martijn zuchtte, of eigenlijk was het meer een kreun.
Hij keek op van zijn boek. Het was een dik boek met een harde kaft en een zwart lint. 
Ze was nog jong schatte hij, zo tegen de dertig, een paar jaar ouder dan hijzelf. Grote groene ogen, omkranst door lange donkere wimpers. Het bruine haar in springerige krullen om haar ovaalvormige gezicht, waarop geen vlekje was te zien. Volle lippen met een roze glans. 
Toen hij een plaatsje zocht in de trein had hij niet op de andere reizigers gelet maar was hij, zoals altijd, gefocust geweest op een plek aan het raam met het uitzicht naar links. Zijn favoriete positie. Het maakte daarbij voor hem niet uit of hij voor- of achteruit reed. Tijdens een treinreis had hij altijd een boek bij zich om te lezen, maar na iedere pagina keek hij ook altijd even naar buiten. Hij filosofeerde er graag over of  je langer naar iets kon kijken als je vooruit reed en je ogen al naar iets waren getrokken of als je achteruit reed en je je blik nog kon laten hangen. 
Nu hij zijn medepassagier recht aankeek werd hij getroffen door haar schoonheid.
De vrouw zuchtte opnieuw. 
Martijn keek om zich heen of hij misschien iemand zag tot wie zij zich had gericht, maar niemand van de andere reizigers reageerde. 
Hij ging verzitten, keek op zijn horloge en vervolgens op de route informatie op het scherm naast de deur. Zijn bestemming zou hij bereiken om 11.53 uur. Het was nu 11.42 uur. In de trein was nog wel her en der een plaatsje, maar niet zoveel en zodanig dat er een gerechtvaardigde reden zou zijn om zijn spullen te pakken om – met een vaag gemompeld excuus van ergens anders meer ruimte – uit de situatie te ontsnappen. Eerder uitstappen ging ook niet, want er waren geen tussenstations.
Uit haar mond glipte nog een kreun. Onmogelijk voor hem om het te negeren.
‘Gaat het?’ vroeg hij.
Ze knikte maar zei toen, terwijl ze met haar handen haar bruine krullen achter haar hoofd hield en hem schuin van onderen aankeek met haar wenkbrauwen licht fronsend: ‘Het is allemaal zo leeg.’
Martijn ging iets rechter zitten, deed het lint tussen de pagina’s waar hij was gebleven en klapte het boek dicht, ondertussen zoekend naar iets wat hij kon zeggen. 
Tersluiks keek hij naar de passagier naast de vrouw. Een oudere man die even zijn blik op Martijn liet rusten maar geen enkel blijk van medeleven toonde en zich weer verdiepte in wat hij aan het doen was op zijn I-pad.
Het was voor Martijn niet duidelijk of de vrouw en de oudere man bij elkaar hoorden. Ze zaten al in de trein toen hij instapte. Hij overwoog dat je meestal niet als vreemden naast elkaar ging zitten tenzij het druk was en je bijvoorbeeld niet tegen achteruit rijden kon en hij concludeerde dat, wat het al dan niet bij elkaar horen betrof, alle opties nog open stonden.
Hij besloot dat hij de vrouw, die duidelijk in nood leek te zijn, niet aan haar lot kon overlaten. Een ridderlijk gevoel kwam over hem.
‘Eh…wat is zo leeg?’
Ze richtte haar blik naar buiten. 
‘Het landschap. Ik rij er iedere week langs en het is altijd hetzelfde. Ook als er koeien of schapen in de wei staan. Die staan er alleen maar of ze liggen te kauwen met van die lege blikken.’ 
Ook Martijn keek naar buiten. De weilanden met nog witte sporen van een die ochtend gevallen winterse bui, trokken in grote vaart aan hen voorbij, af en toe onderbroken door een boerderij omringd door kale bomen. Aprilletje zoet, geeft nog vaak een witte hoed, dacht hij onwillekeurig. Die uitspraak was hem met de paplepel ingegoten. Net als maart roert zijn staart en morgenrood water in de sloot. Zijn moeder had de uitdrukkingen van haar moeder en die had deze op haar beurt weer van haar moeder.
Martijn mompelde: ‘Tja….’ 
Opnieuw zuchtte ze. ’Het leven is niet makkelijk.’
Hij  schraapte zijn keel, wat niet kon voorkomen dat zijn vraag er toch wat schor uitkwam.
‘Is er iets gebeurd, waardoor je dit zegt?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee dat is het juist, er gebeurt niets.’
De vrouw trok een pruillip. Ze leek opeens een meisje.
Haar  bruine jas was opengeslagen en Martijn zag haar borst op en neer gaan. Ze had een witte blouse aan. Door de bovenkant van de blouse scheen een zweem van huid.
‘Tja…’ Dit klonk wel erg passief en hij bedacht dat hij iets daadkrachtiger moest reageren. ’Wat zou je willen dat er gebeurde?’
Na deze vraag verscheen er op het gezicht van de vrouw een opgetogen blik. Het gaf haar een gouden gloed. Martijn kon zijn ogen niet van haar af houden.
‘Gewoon, avontuur, iets onverwachts, maakt niet uit wat.’
Ze keek nu naar Martijn met één licht opgetrokken wenkbrauw.
‘Zou jij dat niet willen, een onverwacht avontuur?’
De vraag liet hij even bezinken. Hoe graag zou hij een onverwacht avontuur willen? Tot nu toe was zijn leven gelopen langs min of meer gebaande paden. School, rechtenstudie en aansluitend, nu vier jaar geleden, een aanstelling bij de gemeente op de juridische afdeling met als specialisatie Omgevingsrecht. Hij deelde een appartement met een voormalige studiegenoot bij gebreke aan betaalbare  woonruimte  in Amsterdam. Eén keer per week kookten en aten ze samen. Een tijdje geleden hadden ze tijdens zo’n maaltijd de voors en tegens van Tinder besproken en Martijn was tot de slotsom gekomen dat dat niets voor hem was. Hij zag op tegen ingewikkelde dates met meisjes die in het echt tegen zouden vallen ten opzichte van de foto en het profiel. Maar misschien was nog wel doorslaggevender dat hij niet wist wat hij in zijn eigen profiel zou zetten. Martijn wist dat hij zichzelf niet echt avontuurlijk kon noemen. In zijn leven was nog weinig spannends gebeurd, ook niets dramatisch overigens. De dood van zijn poes was het verdrietigste wat hij in zijn vijfentwintig jaar had meegemaakt. Zijn moeder had haar hoofd stil gebogen toen hij na zijn eindexamen had aangekondigd een reis naar Thailand te willen maken. Niet dat dat een verlangen was dat hij zelf al lang had gekoesterd. Het was meer doen wat klasgenoten ook deden. Door de reactie van zijn moeder, had hij er al gauw van afgezien en zijn vader’s raad opgevolgd om te kiezen voor een studie waarmee hij zeker een baan kon vinden. Ook nu nog wilde zijn moeder dat hij – als hij in het ouderlijke huis op bezoek was geweest – haar belde dat hij veilig thuis was gekomen. En dat deed hij ook altijd, eigenlijk al voor hij de sleutel in zijn voordeur stak want het laatste wat hij wilde was zijn moeder onnodig lang in angst laten zitten. Vaag had hij het idee dat voor het doorbreken van die ban een verlangen nodig was dat hem de moed zou geven zijn eigen pad te kiezen maar tot nog toe was zo’n verlangen niet bij hem opgekomen. 
Wat was eigenlijk een avontuur? Het was iets dat je meemaakte, een belevenis. Onder die definitie was het hele leven een avontuur. Maar dan in de zin dat het je grotendeels overkwam. Je kon niet alles beïnvloeden. Bij avontuur dacht Martijn meer aan iets leuk spannends dat hij zelf zou ondernemen; op eigen initiatief. Hij besloot deze gedachte even te laten rusten want hij had geen idee wat hij dan zou willen.
‘Heb je al eens een avontuur meegemaakt?’ De vrouw hield bij deze vraag haar hoofd iets schuin. 
Martijn keek naar haar prachtige gezicht, het krullende haar en de welving van haar borst. In zijn neus kwam heel licht de zoetige geur van haar parfum. Haar vertellen wat hij net had gedacht, leek hem opeens niet zo’n goed plan.
‘Ja….’ En iets krachtiger: ‘Mijn leven zit vol avontuur.’
Ze keek hem aan met een glimp van verrassing. ‘Vertel eens!’
Naarstig ging hij in zijn herinneringen op zoek naar een gebeurtenis die voldeed aan de net door hem geformuleerde criteria: zelf ondernomen en leuk spannend. Niets kwam naar boven. Dan maar een avontuur geleend. Echter, ook het leven van zijn vrienden of zijn collega’s was niet bijzonder avontuurlijk. Gelukkig herinnerde hij zich een verhaal van zijn huisgenoot met een belevenis die strikt genomen niet zelf ondernomen was, sterker nog het was iets dat een collega van de huisgenoot was overkomen en ook verder voldeed het niet aan de door hem geformuleerde criteria, maar het verhaal was – hoe dan ook –  een leuke afwisseling geweest van hun gebruikelijke conversatie.
‘Een paar weken geleden nog.’
Hij wachtte even.
Ze keek hem vol verwachting aan. Ook de man naast haar keek op. Verbeeldde Martijn het zich of was er in diens ogen iets van verwondering te zien?
‘Ik liep op de Weesperzijde in Amsterdam en voor mij liep een man. Het was een beetje een haveloze man. Een zwerver leek het wel. Hij zwalkte over het voetpad langs het water en de woonboten. Ken je de situatie daar?’
De vrouw schudde haar hoofd. ‘Ik kom uit Zaandam, ik ken Amsterdam maar een beetje.’ 
‘Oh, oké.’
Het feit dat ze uit Zaandam kwam en hij uit Amsterdam deed hem groeien. Het gaf hem op de een of andere manier het gevoel van een voorsprong.
‘Langs de Weesperzijde heb je aan de ene kant huizen, daarlangs een trottoir, dan een rijweg en weer een groenstrook, dan een voetpad en daarnaast een groenstrookje, meestal als tuintje ingericht en daarna de loopplanken naar de woonboten in de Amstel. Tussen de woonboten zijn er open stukjes water. We liepen dus op het voetpad. Daar loop ik vaker in mijn lunchpauze als ik de tijd heb voor een uitgebreide wandeling. Ik werk in de Stopera.’
Het verhaal van de collega van zijn huisgenoot had zich niet op die plek afgespeeld, maar het leek hem goed het verhaal zo dicht mogelijk bij zijn eigen leefwereld te houden.
Martijn had de volledige aandacht van de vrouw en nu ook van de oudere man.
‘Op het smalle voetpad liep voor de haveloze man een andere man met een leren jack en hoge zwarte laarzen en daarvoor liep een poes. Ik zag de poes daar lopen omdat ze net was overgestoken over de rijweg en ik nog had gedacht dat dat maar net goed was afgelopen. Er rijden altijd veel auto’s en er komen fietsers van alle kanten aan. Ze had heel makkelijk overreden kunnen worden.’
De vrouw knikte. Ook de man naast haar neeg iets zijn hoofd.
‘Het was een zwarte poes met witte pootjes.’
In het oorspronkelijke verhaal was het een rode kater geweest, maar Martijn had zwarte poezen met witte pootjes altijd mooi gevonden. Zijn eigen poes had er zo uitgezien. Het waren ook goede muizenvangers. Al had hij daarvoor geen onderbouwing, anders dan dat zijn poes op dezelfde dag dat hij haar had opgehaald uit het asiel al een muis had gevangen. Maar ja, dat was natuurlijk geen wetenschappelijk bewijs voor de speciale muizenvanger-kwaliteiten van zwarte poezen met witte pootjes.
‘De poes liep over het voetpad langs het water en opeens haalt de man met het leren jack uit. Met zijn zware laars geeft hij de poes een trap.’
De vrouw slaakte een kreetje van afschuw en ook de oudere man keek afkeurend.
‘De poes vliegt door de lucht en komt in het water terecht en de man loopt door zonder op of om te kijken. Maar opeens rent de zwerver naar voren en geeft die vent een enorme duw opzij. Die struikelt over een laag hekje, rolt het water in en verdwijnt helemaal uit het zicht.’
De ogen van de vrouw en van de oudere man verrieden iets van ongeloof. Eigenlijk hetzelfde ongeloof als hijzelf had gehad toen zijn huisgenoot het verhaal had verteld.
‘De zwerver bleef staan zonder moeite te doen om de man uit het water te halen. Hij veegde zijn handen af op een manier van “Opgeruimd staat netjes” en ik hoorde hem nog roepen “Dat zal je leren vuile dierenbeul!”. ’
Martijn zag uit zijn ooghoeken dat zijn verhaal nu ook de aandacht had gekregen van de passagiers op de bankjes aan de andere kant van het pad en hij begon wat harder te praten.
‘Ik wist eerst niet goed wat te doen maar omdat ik helemaal geen geluid uit het water hoorde, ben ik toch maar naar de waterkant gegaan en heb ik gekeken of ik de man zag. Het water was groen en vies. Er dreven plastic waterflessen en er was een nest van meerkoeten. Dat nest was nog in aanbouw want er werd nog niet op gebroed. Toen zag ik, naast de verroeste ketting van de boot waarmee die aan de wal vastzat, onder water het hoofd van de man. Heel bleek en met open ogen. Toen twijfelde ik geen moment, ik heb mijn schoenen uitgetrapt en mijn jas en colbert uitgedaan en ben in het water gesprongen. Het was ijskoud maar, zo vlak naast de wallenkant, niet heel diep. Ik kon nog staan en heb zijn hoofd boven water getrokken. Dat was nog moeilijk want hij was heel zwaar. Andere mensen hebben geholpen hem op de kant te krijgen. Hij leefde nog.’
Zijn huisgenoot  had het verhaal vervolgd met details van drukken op de borst van de drenkeling en het uit zijn mond gutsende water maar dat kon Martijn zich niet meer precies herinneren. Hij had wel eens iets gelezen over het redden van drenkelingen maar wist niet of je dan juist wel of niet de stabiele zijligging moest toepassen, of en hoe je de tong op zij moest duwen en hoe dat dan ook al weer zat met reanimeren. Iets met het nummer Staying Alive van de Beegees. Het leek hem veiliger om op dit punt niet te veel in detail te treden. Hij schatte in dat het af zou doen aan de kracht van zijn verhaal.
‘En toen?’ De vrouw keek hem met grote ogen aan.
Martijn zag dat haar buurman zijn mondhoeken ietwat smalend naar beneden trok maar dat er in diens ogen toch ook iets van bewondering blonk.
‘Ik werd ook op de kant getrokken en iemand sloeg een jas om mij heen.  Ik rilde van de kou. Blijkbaar was ook de politie gebeld want die was met de  sirene aan, komen aangereden en al gauw kwam er ook nog een ambulance. Daar ging de man in mee. Ze wilden checken of alles goed met hem was. Hij had bloed bij zijn hoofd. Waarschijnlijk had hij zijn hoofd gestoten aan de scheepsketting en had hij daarom niet zelf uit het water kunnen komen.’
De vrouw, de oudere man en de passagiers in de stoelen naast hen, keken hem aan met onbestemde blikken.
’De ambulancebroeders vroegen ook aan mij of het goed ging. Dat was zo, ik had wel water binnen gekregen en dat was heel vies, het deed me kokhalzen, maar verder had ik niets. Uit de woonboot  kwam een man en die gaf me een joggingbroek en een sweater. Ik was natuurlijk door en door nat. Mijn overhemd en broek plakten aan mijn lijf’.
Martijn zag de ogen van de vrouw even over zijn lichaam gaan. Het deed hem zijn schouders rechten en zijn buik wat intrekken.
‘Ik heb me toen verkleed in het politiebusje.  De agenten hebben mijn gegevens opgenomen en zeiden tegen me ….’
Dat deel van het verhaal ging verloren in de krakende omroepstem van de treinconducteur die de  bestemming van Martijn aankondigde. 
‘O, sorry, ik moet er hier uit.’
Martijn stopte gehaast het dikke boek in zijn zwarte laptoptas, knikte naar zijn toehoorders en voegde zich in de stroom van de uitstappende passagiers.  
Nog in vervoering van zijn verhaal, ging hij het gangpad door en stapte uit de trein. Op het perron op weg naar de roltrap passeerde hij het gedeelte waar de vrouw zat.  Ze klopte op het glas en wenkte hem. Martijn ging dichter bij staan. Zijn gezicht vlakbij het hare, alleen gescheiden door de ruit. Even dacht hij dat ze haar lippen tuitte voor een zoen maar toen zag hij achter haar dat de oudere man dezelfde gearticuleerde mondbeweging maakte. En terwijl de trein zich in beweging zette, realiseerde hij zich dat ze vroegen: ’En de poes?’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.